Interview

NRC Handelsblad – 5 juli 2002
door Kester Freriks

Ontluistering is mooi

De acteur en actrice zijn verzorgers in een tehuis voor ouderen. Hij zet een zilverpapieren feesthoedje op en begint een stichtelijk lied te zingen: “Dank u voor deze nieuwe morgen, dank u voor deze nieuwe dag” De actrice vraagt “Waar heb je dat hoedje gekocht? In de feestwinkel?” Het antwoordt luidt: “Nee, bij de slager.” De bejaarden zijn poppen in een rolstoel. De spelers vertolken alle rollen; die van henzelf, van bejaarde opa en demente oma.
 De voorstelling heet Altijd zondag [1998] en is gemaakt door Servaes Nelissen en Jes Vriens.

Acteur, tekstschrijver en muzikant-achter-de-piano Nelissen brengt in zijn toneelwerk een wonderlijke mengeling tot stand van monterheid en melancholie, droefheid en een opgewekte vorm van scherpe humor. De personages die hij in de loop van de jaren heeft gecreëerd, zijn veelal eenzame mannen die met hardop praten hun tijd verdoen. Nelissen is een solist. Vorig jaar trok hij de aandacht met de voorstelling Op dagen van scherp licht. Als locatie koos hij het wat morsige café De Vijfpoort in Landerum op Terschelling. Nadat de zaallichten zijn gedoofd, keken de toeschouwers naar een leeg podium, eigenlijk de brandstand. Opeens begon van achter de bar de kroegbaas een verhaal te vertellen. Het was na sluitingstijd. De man riep een sfeer van verlatenheid, van de leegte na het vertrek van de klandizie. Op zijn voorhoofd een plakkende haarlok. Starende blik in zijn lege ogen. Met kalme gebaren plaatste hij de krukken op de bar. Van het leven had deze man niet veel meer te verwachten. Begrijpelijk. Geleidelijk werd duidelijk dat zijn dochtertje op de provinciale weg die pal langs het café voert, was overreden. Nelissens trage stem, met iets lijzigs erin, onthulde dit dramatische voorval op pijnlijke wijze.

Servaes Nelissen [Amstelveen, 1959] is de zoon van poppenspeler Jan Nelissen. Zijn jeugd bracht hij door in het theater. Hij legde de poppen op de schouder van zijn vader, zodat deze ze meteen kon pakken. In zijn woonboot in de Wijdewormer, met een uitzicht als een Hollands schilderij van rietkragen en molens, vertelt Nelissen over die tijd: “Mijn vader leefde voor zijn eigen theater, het Amstelveens Poppentheater. Soms vroegen mensen of dit een hobby was, wat hij nog meer voor een werk deed. Dan raakte hij onstemd. Hij moest enorm hard werken en vechten voor erkenning, voor wat geld. Hij kon van de karige subsidie nauwelijks de postzegels betalen voor zijn mailing. Ik herinner me dat ik altijd trots was op hem, ik kon uren naar hem luisteren. Elke keer was het verhaal weer anders. Mijn ouders hadden een gezin van zeven kinderen te onderhouden. Hij boetseerde de poppen, mijn moeder maakte achter de naaimachine de kleertjes. Om wat bij te verdienen speelde hij in de zomervakanties in opdracht van de Volkskrant de karikaturale figuren van Wim Boost, Wibo dus. Ook trad hij op voor kinderen in speeltuinen, bij verenigingen en zelfs in Rotterdamse achterbuurten. Zelfs het kleinste popje zag je nog vanaf de achterste rij van het theater. Mijn vader hield van het lege toneel. Een boom is als een bos, stiltes waren voor hem het belangrijkste. Hij maakte, misschien wel intuïtief, gebruik van alle theaterwetten. Hij behoorde tot de zogenaamde ‘onzichtbare poppenspelers’. Je zag hem niet. Jozef van den Berg, die hij erg bewonderde ging zoals dat heette ‘uit de kast’. Die hield de poppen op zijn hand. ”
Voor zijn voorstelling Zwanedons ontving Servaes Nelissen de Hans Snoek Prijs 1988. Zijn vader kwam naar de opvoering kijken, hij had toen al een beroerte gehad. Hij herkende wel zijn zoon in de ene rol, maar niet in de andere, een dubbelrol.

Egyptenaren
Aanvankelijk wilde Servaes Nelissen helemaal niet het theater in. Het voorbeeld van zijn vader stemde tot somberte. “Ik zag mezelf niet in staat tot hetzelfde gevecht om erkenning”, zegt hij bedachtzaam. “Mijn voorkeur ging uit naar de beeldende kunst, ik wilde beeldhouwer worden. Ik ging naar de Rijksacademie. Dat was een verkeerde keuze. Ik wilde het liefst beeldhouwen en schilderen, maar in het eerste jaar kregen we vooral tekenles. Mijn werk zag er uit zoals de Egyptenaren met perspectief omgingen, dus alles behalve perspectief. Mijn docent was professor Paul Gregoire, een aldoor hoestende man die een long miste. Van verre hoorde je hem aankomen, zwaar sloffend op de gang. Hij gooide de deur open. Hij stak een sigaret aan, een Caballero. Dan keek hij mij aan en vervolgens naar mijn beeldhouwstuk. Hij brak mijn werk tot de grond toe af, elke dag weer. Ik maakte volgens hem alleen buitenkant, er was geen innerlijk in mijn figuren. Hij benadrukte het belang van de binnenste constructie, de armatuur. Dat was de arabeske waar je omheen moest boetseren. Een beeld is niet de som van oren, neus, ogen. Een beeld heeft ziel, beweging, dat moest ik erin leggen. “
Nelissen maakte de academie niet af; hij ging klussen, stucadoren, kerken restaureren. Zijn ene broer had een aannemersbedrijf, een zwager stond aan het hoofd van een ziekenhuis in Afrika. Daar was altijd wat te doen. Hij bleef een half jaar weg. “Ik heb een lange tijd lopen knoeien, ik was aan het zoeken naar mijn eigen stijl”, gaat hij verder, “ik had niet echt een doel in mijn leven. Alle andere mensen hebben wel een doel, dacht ik toen; ik niet. Vrienden kregen kinderen, een baan, een huis met hypotheek. Dat was het echte leven, waaraan ik geen deel had. Als acteur ben ik autodidact. Alleen als ik speel, voel ik me lekker. Dan ben ik even verlost van alle gepieker, waarvan je maar koppijn krijgt. Op mij 25ste zat ik helemaal vast. In de liefde ging het fout. Ik vroeg me alsmaar af waarom alles toch mislukte. Terwijl ik heus wel iets kan. Ik was op verbeten wijze aan het werk met nog altijd de beeldhouwkunst en met poppen die ik zelf maakte, net als mijn vader. Ik leed aan een destructieve, kritische houding. Die had ik ook meegekregen van mijn academiejaren. In die tijd ontdekte ik de emotionele spellessen, bijna therapiën, van Stanislavski. Zijn leer bestaat eruit altijd een emotionele overtuiging te vinden in wat je doet. Stanislavski was leerzaam voor mij. Ik kon mezelf kwijtraken. ”

Bij herhaling staat Servaes Nelissen op en verduidelijkt met gebaren en mimiek wat hij wil zeggen. “Ik kon wel huilen, om het spel van mijn vader, Het meisje met de zwavelstokjes bijvoorbeeld. Prachtig. Of de film Opname van Erik van Zuylen naar een toneelstuk van het Werkteater. Zoals die twee mannen op de rand van hun bed zitten met kanker in hun lijf. Ze hebben een feestmaskertje op. Daarachter lachten ze wat. Voor mij zijn die eenvoudige beelden veelzeggend. Daarin schuilt heel de droefheid van de wereld. Ik deed de techniek bij de voorstelling U bent mijn moeder van Joop Admiraal. Prachtig, dat eenzame verhaal over een zoon en zijn demente moeder door die ene acteur gespeeld. Op het podium vind ik geluk en voorspoed niet boeiend. Troep is veel interessanter, de mislukking. Het feest is misschien wel aardig, maar de rotzooi de ochtend na een feest is veel mooier. Of de troep in Amsterdam na Koninginnedag. Dat zegt alles over dat feest, veel meer dan die dag zelf. Ik vind ontluistering mooi. Kijk graag langs de hoofdzaak. Ook bij een voorstelling: ik zit altijd langs hoofdrolspeler heen te koekeloeren naar de acteur of de actrice op de achtergrond. Wat doet die, hoe is de gezichtsuitdrukking?”
 Op de woonboot die Servaes Nelissen eigenhandig opknapt en zelfs van een puntdak heeft voorzien als een echt drijvend huisje, werkt hij aan zijn voorstellingen.
Hij maakt aantekenigen, kleine schetsjes, zinnetjes die een soort poezië zijn. Dan gaat hij staan voor een kleine camera en begint te spelen, al improviserend. Naderhand kijkt hij naar wat hij heeft gedaan. Dat wordt uiteindelijk de voorstelling. “Ik ben een individualist”, zegt hij. “Voor mij is theater een man alleen die op een stoel zit en een verhaal vertelt. Soms staat hij op om zijn woorden kracht bij te zetten, maar meestal zit hij gewoon daar op die stoel. Bij een groots gemonteerd stuk van Shakespeare raak ik al gauw de weg kwijt. In het begin zet ik dramaturgische lijnen uit. Als ik dit zeg, hoe gaat het dan verder. Een van mijn voorstellingen heet Herberts Aquarium. Het gaat over een nachtportier van een ziekenhuis. Hij heeft weinig te doen, maar is druk met kleine en grote gedachtes. In de stilte van de nacht trekt heel het leven aan hem voorbij. De leuke nachtzuster houdt hem wakker, hij droomt over haar. Een oude man die bij zijn zieke vrouw waakt, komt af en toe zijn hart luchten. Dan is er nog een sinistere figuur die bij de ingang ronddwaalt. Ik speel al die personages; soms ben ik die wakende man, dan weer de zuster. Voor mij is die voorstelling zowel toneel als cabaret, poppenspel en mime. Ik ben vaak op zoek naar tegenstellingen, iemands isolement bijvoorbeeld en de grote wereld daar omheen.
Hoewel ik een grote voorkeur heb voor personages aan de rand van de maatschappij, voor simpele zielen, moeten mijn personages zeker diepte bezitten. Die probeer ik aan te brengen door hem dromen en idealen te geven, illusies, grote verwachtingen van het leven. In mijn dagelijkse leven kijk ik graag door mensen heen om hun andere kant te zien. Zelfs de meest kleurloze mensen hebben vaak onvermoede diepgang. De man in de straat bijvoorbeeld heeft misschien wel in zijn achtertuin een geweldige fontein met toeters en bellen, een fontein die alle kanten op spuit. Als ik toneel zie, wil ik graag zo’n personage leren kennen. Ik wil door hem meegenomen worden, zijn gedachtegoed tot me laten doordringen, ontroerd raken. Er is een film die Big Night heet, over twee Italiaanse broers met een restaurant in New York. De ene wil kwaliteit, dat is zijn hoogste ideaal. De ander is bereid water bij de wijn te doen. Ze organiseren een openingsavond om het restaurant te presenteren. De pers komt. Maar om de een of andere reden mislukt alles. De journalist schrijft er niet over, de genodigden gaan vroegtijdig weg. De essentie van die film schuilt voor mij in de shots over de volgende ochtend. Hoe die ene broer een eitje bakt; de lege, teleurgestelde blikken over en weer.”

Kroegbaas
Oorspronkelijk is Op dagen van scherp licht geschreven (samen met Magne van de Berg) als een dialoog voor een man en een vrouw. Uiteindelijk speelde Nelissen de tekst alleen. De rol van de vrouw vlecht hij er moeiteloos doorheen. Het resultaat is een verstikkend mooie monoloog over de dood van het dochtertje van de kroegbaas en zijn vrouw. Hun relatie overleeft dit verlies niet. Zij gaat bij hem weg. De man blijft achter op het eiland. “Op Terschelling had ik een heel aandachtig en geconcentreerd publiek. Ik herinner me nog precies hoe hard dat bij de toeschouwers aankwam, die klap van het verongelukt kind. Hier, bij mijn huis, is kortgeleden iets tragisch voorgevallen, maar dat mag je natuurlijk nooit vergelijken met het dode dochtertje uit Op dagen van scherp licht. Daar in de bosjes is onze kat begraven die we helemaal uit Canada hadden meegenomen. Die is hier voor de deur aangereden. Het was onze lievelingskat. Kijk daar op de piano staat een foto.”
“Mijn nieuwe voorstelling die dit najaar in première gaat, heet Kom eens bij het vrouwtje. Dat gaat over een vrouw van 42; ze heeft geen relatie. Kinderen zullen er wel nooit meer komen. Ze heeft twee katten. Dat is haar enige geluk. De buurman richt met geschreeuw en getier zijn hond af. Ze begrijpt die schofterige mentaliteit niet. Ze is ook bang voor het oud worden. Ik heb haar verzonnen, het zijn mijn eigen thema’s: isolement, bangheid. Dan zit ik hier op mijn boot in dit prachtige landschap en kan er niet eens van genieten.”
“Voor mijn voorstelling Altijd zondag heb ik een tijdje in een bejaardenhuis gewerkt. Ik vond het moeilijk bejaarden op het toneel te zetten, daarom maakte ik poppen van hen. Dat klopte prachtig. Die wiebelende, schuimrubberen hoofdjes, die bibberende handjes. Ik heb vooral het levensgevoel van bejaarde mensen willen uitdrukken: het gevoel dat de toekomst steeds kleiner wordt, en het verleden alsmaar groter.”

Comments are closed.